'Aan Rika' - Piet Paaltjes

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart

Gezeten in een sneltrein, die de trein

Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.

De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij,

Het eindloos levenspad met fletse lach

Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij

Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom hebt gij van dat blonde haar,

Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,

Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?

Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,

En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,

En om mijn hals uw armen vastgekneld,

En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?

Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,

Dan, onder hels geratel en gestamp,

Met u verplet te worden door één trein?