Thomas' mediawijsheid

MEDIAWIJSHEIDCOMPETENTIES

Hoe gebruik jij je media en wanneer weet je het te gebruiken? Door een test kun je zien op welk niveau jij zit voor verschillende gebruiken van media. Ik heb deze test afgenomen, en zal laten zien welk niveau ik heb voor iedere vraag, met uitleg van het niveau.

10 mediawijsheidcompetenties

B1, bewust zijn van de medialisering van de samenleving:

Niveau 3, "Weet de meer evidente effecten van het toenemend media- gebruik op het menselijk bestaan te benoemen, zoals: het feit dat media altijd en overal aanwezig zijn, dat we altijd met elkaar in verbinding staan, dat er steeds meer informatie op ons af komt, etc"

B2, begrijpen hoe media gemaakt worden:

Niveau 2, "Herkent veelgebruikte standaardtechnieken. Begrijpt hoe mediaprodu centen deze technieken inzetten om hun doelstellingen te realise ren. Gebruikt deze kennis om mediaboodschappen kritisch te evalueren."

B3, zien hoe media de werkelijkheid kleuren:

Niveau 2, "Herkent wanneer een mediaboodschap gekleurd is door politieke, ideologische of levensbeschouwelijke overtuigingen."

G1, apparaten, software en toepassingen gebruiken:

Niveau 3, "is een actief gebruiker van diverse nieuwe media. Speelt diverse games. Communiceert via diverse applicaties met vrienden en collega’s. Uploadt eigen audiovisueel materiaal. Is actief binnen diverse socia- le netwerken. Doet dit alles ook mobiel, via smartphone of tablet. Opereert makkelijk crossmediaal. Heeft een voor- trekkersrol binnen de eigen omgeving."

G2, oriënteren binnen media-omgevingen:

Niveau 4, "switcht trefzeker van de ene naar de andere toepassing en tussen apparaten. Koppelt apparaten en toepassingen aan elkaar en integreert deze in een persoonlijk mediasysteem. Weet wanneer welke toepas singen het meest geschikt zijn om in te zetten."

C1, informatie vinden en verwerken:

Niveau 2, "kan de betrouwbaarheid van informatie beoordelen. Kan de aard van informatie- bronnen inschatten: weet bijvoorbeeld informatieve bronnen van entertainment- bronnen te onderscheiden."

C2 content creëren:

Niveau 2, "verstuurt tweets. Plaatst eigen content op een of meerdere sociale netwerksites. Uploadt foto’s en video’s. Kan content delen via e-mail en sms."

C3 participeren in sociale netwerken:

Niveau 2, "onderhoudt via sociale netwerken contact met zowel naasten en kennissen, als met professionele relaties (medescholieren, collega, etc.). Reageert op ondersteunende wijze op de activiteiten van anderen op diverse sociale netwerken."

S1 reflecteren op het eigen mediagebruik:

Niveau 3,  "beseft hoe het eigen mediagebruik invloed heeft op de eigen levensstijl. Kan analyseren hoe de eigen mediaconsumptie van invloed is op de eigen kijk op de wereld (‘je bent wat je surft/kijkt/speelt/downloadt’)."

SMART

Door voor een maand bij te houden op welke sites ik zit zal ik zien wat en wanneer ik bepaalde sites gebruik en in hoeverre dit effect heeft of reflecteert in mijn leven.

S2 doelen realiseren met media:

Niveau 3, "weet wanneer welke toepassingen meerwaarde hebben bij het realiseren van professionele en sociale doelstellingen en kan deze effectief inzetten (zoals bij het vinden van een nieuwe baan of het geld inzamelen voor een goed doel)."

Conclusie na het nemen van de test is dat ik boven gemiddeld weet hoe ik de media moet gebruiken, wat ik al wel had verwacht.

SMART doelen:

SMART:
Specifiek
Meetbaar
Acceptabel
Realiseren
Tijdsgebonden

B1: Bewust zijn van de medialisering van de samenleving

S: Leren begrijpen dat media een groot deel uitmaakt van de samenleving en dat dit alleen maar groter wordt.

M: Er is te meten hoeveel iemand van de media weet door bepaalde vragen te stellen die op dat moment van toepassing zijn in de mediawereld.
A: Ja, het is goed om op de hoogte te blijven van medialisering
R: Ja, met het internet bij de hand is het goed mogelijk om de medialisering in de gaten te houden.
T: Nee, er zit geen specifieke tijd aan vast dat ik het wil weten.

B2: Begrijpen hoe media gemaakt worden

S: Ik wil de verschillende aspecten van media kunnen begrijpen en dit uit verschillende invalshoeken te weten te komen
M: Niet zozeer meetbaar.
A: Ja, door te weten te komen hoe media gemaakt wordt kun je beter content creeën voor de media zelf.
R: Ja, dit is haalbaar.
T: Niet tijdsgebonden

B3: Zien hoe de media de werkelijkheid kleuren

S: Ik wil te weten komen wat het verschil is tussen hoe de media verschillende dingen voorlegt en hoe ze in het echt zijn.
M: Meetbaar in welke mate/grote de media de werkelijkheid verandert.
A: Ja, als je op de hoogte bent van het feit dat de media dingen soms verandert weet je ook niet alles meteen te geloven.
R: Ja, met wat research kun je uitzoeken of dingen die de media uitbrengt ook echt waar zijn.
T: Kan meteen aan begonnen worden, en binnen een dag kun je al vertellen of alles wat de media brengt ook waarheidsgebonden is.

G1: Apparaten, software en toepassingen gebruiken

S: Ik wil graag meer software van de computer kunnen gebruiken.
M: Ja, je kunt meten wat voor software je wel en niet kunt gebruiken en daarmee bekijken of je veel of weinig weet.
A: Ja, als je meer software kunt gebruiken heb je voor veel situaties verschillende oplossingen in verschillende software.
R: Het is haalbaar doordat er erg veel software is die nodig is en software die handig is om te hebben, en zo heb je genoeg keus.
T: Dit kan binnen een dag geregeld zijn.

G2: Oriënteren binnen media-omgevingen

S: Te weten komen welk media-type te kunnen gebruiken voor welke situatie, zoals bijvoorbeeld weten dat je voor voetbal nieuws naar vi.nl kan gaan.
M: Nee.
A: Ja, het is goed om te weten hoe je snel achter een bepaald type informatie kan komen.
R: Haalbaar als je veel tijd besteed aan het vinden van de beste sites voor de verschillende type informatie.
T: Het heeft een langere tijd nodig om gewend te raken aan verschillende sites.

C1: Informatie vinden en verwerken

S: Ik wil informatie goed kunnen vinden en dit goed kunnen gebruiken in mijn media-gebied.
M: Niet echt meetbaar.
A: Ja, weten hoe je je informatie moet vinden en weten hoe je dit moet verwerken is erg belangrijk in deze branche.
R: Haalbaar doordat er alle informatie van de wereld tot je beschikking is op het internet.
T: Een tijd goed oefenen en veel gebruik op het vinden van informatie en verwerken, licht aan jezelf.

C2: Content creëren

S: Content kunnen maken wanneer dit nodig is voor jouw vak.
M: Je kunt meten in welke maten je de content kunt maken, hoe snel en hoeveel je kunt maken.
A: Ja, dit heb je nodig om te slagen in een redactioneel vak.
R: Ja, oefenen op het creeën van content kan goed gedaan worden.
T: Niet tijdgebonden, kan altijd worden verbeterd.

C3: Participeren in sociale netwerken

S: Ik wil meer social media gebruiken om mijn horizon te verbreden.
M: Ja, je kunt bekijken hoeveel sociale media je gebruikt.
A: Ja, social media is een belangrijk onderdeel van de media industrie.
R: Ja, het is makkelijk om te beginnen aan een sociaal medium.
T: In de volgende maand meer gebruikmaken van sociale media.

S1: Reflecteren op het eigen mediagebruik

S: Bekijken hoeveel media ik gebruik.
M: Ja, je kunt uitvinden hoeveel media je op een dag gebruikt.
A: Ja, weten of je genoeg gebruiktmaakt van social media is belangrijk.
R: Ja, het is erg makkelijk uit te vinden hoeveel je nou gebruikmaakt van media.
T: Een dag bijhouden wat je gebruikt zou je genoeg informatie moeten verschaffen.

S2: Doelen realiseren met media

S: Meer gebruikmaken van media om doelen op te lossen.
M: Nee.
A: Ja, de media gebruiken voor hulp met doelen kan goed uitpakken.
R: Ja, de media kan heel goed gebruikt worden om doelen te realiseren.
T: Dit kan altijd gedaan worden.

Door Thomas Weinbrecher, klas MR1A.

Comment Stream