Ontwikkeling gehandicaptenzorg en activiteitenbegeleiding.

De huidige gehandicaptenzorg en de activiteitenbegeleiding hebben in de loop van de geschiedenis een hele ontwikkeling doorgemaakt. Vroeger werden mensen met een verstandelijke beperking voor 'krankzinnige' versleten. Deze mensen werden weggestopt in opvanghuizen, zo ver mogelijk van de buitenwereld. Gelukkig weet men tegenwoordig beter en staan deze mensen net als iedereen middenin de samenleving. Wat daar allemaal aan vooraf is gegaan? Het is een heel verhaal...

Vroeger had men een heel ander kijk op mensen met een verstandelijke beperking dan tegenwoordig. In de Romeinse tijd was het niet ongewoon dat een kind met een afwijking gedood werd. Sommige geloven, bijvoorbeeld het Joodse, zagen het krijgen van een kind met een gebrek als een straf van God. De ouders zouden zondig zijn geweest en daarom zo´n kind hebben gekregen.

Gevolg van een zondeIn de Middeleeuwen werd ook in de kerk gezegd dat een gehandicapt kind het gevolg was van zonde. Het bedrijven van de liefde op zondagen in vastentijd of tijdens de menstruatie zou schadelijk zijn en kinderen met een handicap verwekken. Soms schaamden ouders van kinderen met een handicap zich zó dat ze het kind van schrik zomaar ergens achter lieten. Sinds de vierde eeuw werden er in kloosters kinderen opgevangen die om die reden te vondeling werden gelegd. Kinderen waarvan men vond dat ze in staat waren om te werken konden op boerderijen terecht. Kinderen die minder geluk hadden moesten zichzelf zien te redden door bijvoorbeeld te bedelen.

DolhuizenRond de twaalfde eeuw werden gehandicapten als gevaarlijk gezien, net als armen, werklozen en daklozen. Deze konden aanvankelijk ook alleen in kloosters terecht voor onderdak. Daarnaast werden in de grotere steden de eerste opvanghuizen gesticht. Dit waren de gasthuizen, vondelingenhuizen en 'dolhuizen'. Deze ontstonden in de twaalfde tot en met veertiende eeuw. Naast 'krankzinnigen', zoals ze destijds genoemd werden, verbleven hier ook 'narren, ketters en hoerenlopers'. Het ging er meer om dat het gedrag van de persoon niet paste in de samenleving en minder om de ziekte of aandoening zelf. Vanaf de zestiende eeuw kwamen er ook tuchthuizen, gestichten voor bedelaars, en rond de negentiende eeuw verbeteringsscholen. In kleinere plaatsen werden gehandicapten ondergebracht bij particuliere gezinnen, die hier meestal een vergoeding voor kregen. Het opnemen in gestichten was nog een vrij dure zaak en alleen degenen die noodzakelijkerwijs verpleegd moesten worden werden opgenomen. In de zeventiende eeuw werden in het westen van Europa interneringshuizen gesticht. Hier werden bedelaars, werklozen, hoeren, alcoholisten en misdadigers opgesloten, die werden gedwongen te werken (weven, spinnen, hout zagen) om ze bezig te houden.

Gespecialiseerde instellingenIn de achttiende eeuw kwamen er steeds meer gespecialiseerde instellingen voor verschillende soorten afwijkingen. Ook ging de geneeskunde zich meer bezig houden met de krankzinnigen en langzaamaan ontstond de term geestesziekte. In 1884 werd de Krankzinnigenwet ingesteld en was er toezicht van de staat op krankzinnigenzorg. Hierdoor werden de gestichten verbeterd; waren er vroeger ijzeren hand- en voetboeien, in deze periode kwamen er dwangmiddelen gemaakt van linnen. Inspecteurs van de gestichten stimuleerden het bezighouden van patiënten door lijsten met bezigheden te verspreiden (het zogenaamde 'gekkenwerk'.)

ArbeidstherapieEen van de grondleggers van de arbeidstherapie in de psychiatrie was dokter Everts. Hij was geneesheer-directeur van Meerenberg (nu het Provinciaal Ziekenhuis van Santpoort) Hij was voorstander van arbeidstherapie in zijn inrichting. Het werk vond plaats in werkplaatsen en moestuinen. Midden tot eind negentiende eeuw kwamen er steeds meer psychiatrisch patiënten en moesten er meer inrichtingen komen, het liefst buitengestichten als landbouwkolonies. In 1871 werd de Nederlandse vereniging voor Psychiatrie opgericht.

Overige groepenAan gehandicapten zoals blinden, doven en doofstommen werd ook steeds meer aandacht besteed. Werden zij voorheen aan hun lot overgelaten, rond 1790 werd het eerste doofstommeninstituut in Groningen opgericht. Ook kwam er in Amsterdam in 1808 een onderwijsinstituut voor blinden. Over zwakzinnigheid was er nog niet veel bekend. Deze groep werd als idioot gezien en men vond dat er niets mee te beginnen was. Rond 1840 kwam hier verandering in, toen een aantal artsen zich bezig gingen houden met de opvoeding van zwakzinnigen. Eerst als experiment, later werden er instituten voor deze doelgroep opgericht. Het doel van deze instellingen was aanvankelijk zwakzinnige kinderen te genezen.

'Actievere therapie'In 1924 was er een zekere dokter Hermann Simon die in het Duitse Gütersloh de 'actievere therapie' invoerde. Deze therapie deed een beroep op de gezonde kant van de zieke door hem actief deel te laten nemen aan allerlei werkzaamheden.

Dit waren de principes van dokter Simon:

  • bij iedere geesteszieke kan een gezond deel van de persoonlijkheid worden ontdekt.
  • de meeste kenmerken van geestesziekte waarvan men dacht dat de patiënt er niet verantwoordelijk voor was, waren een gevolg van slechte gewoonten en onaangepast gedrag.
  • deze kenmerken zijn af te leren door de patiënt er verantwoordelijk voor te stellen.


Belangrijke punten in zijn therapie waren arbeid, heropvoeding en een gezond en menswaardig milieu. De arbeid moest zinvol zijn en aansluiten bij de capaciteiten van de patiënt, waardoor de patiënt kon leren zich aan te passen. Verder waren bij de heropvoeding orde, regelmaat en discipline heel belangrijk. Patiënten werden beloond als ze zich aanpasten en gestraft als ze ongewenst gedrag lieten zien. Goede huisvesting en goede hygiëne droeg bij aan een menswaardig bestaan. De ideeën van dokter Simon kregen veel navolging. In Nederland was het Van der Scheer, geneesheer-directeur van het provinciaal ziekenhuis in Santpoort die voor invoering van de actievere therapie van dokter Simon pleitte.

De eerste stappen naar aangepast onderwijsOnder zijn invloed kwam arbeidstherapie in inrichtingen steeds meer in opkomst. In het begin vooral uit praktisch oogpunt, want in de crisisjaren (tussen 1920 en 1930) was het inschakelen van patiënten bij de werkzaamheden noodzakelijk om overeind te blijven. Er was veel werk in wasserijen, keukens, kleermakerijen, schoenmakerijen, smederijen en linnenkamers van de instellingen. Ondanks dat waren er ook veel patiënten die zinloos werk deden zoals het uitzoeken van erwten en bonen. Vaak kregen zij dagenlang steeds de zelfde zakken uit te zoeken om maar bezig te blijven.

Omdat hoop op genezing was verdwenen, werden veel instituten meer en meer een tehuis in plaats van een instelling waar mensen behandeld werden. Uiteindelijk werd er door een intelligentietest, ontwikkeld door dokter Simon en dokter Binet, ontdekt dat verstandelijke gebrekkigheid in verschillende gradaties bestaat. Naar aanleiding hiervan werden er onderwijsmethoden, aangepast aan de verstandelijke vermogens van de leerlingen, ontwikkeld. Er ontstonden scholen voor buitengewoon lager onderwijs, vooral gericht op het praktische leren.

AVOIn 1927 werd de Nederlandse vereniging ter bevordering van arbeid voor onvolwaardigen (AVO) opgericht. Deze vereniging wilde arbeidsplaatsen voor gehandicapten. Door de crisis werden echter veel mensen werkloos, waardoor er voor gehandicapten geen arbeidsmogelijkheden waren. Het was voor veel mensen moeilijk om aan het werk te komen. Doordat velen zich door de werkloosheid onvolwaardig voelden, verlies van status ervoeren en een lager inkomen ontvingen, groeide het begrip voor hoe gehandicapten zich zouden voelen. Na de Tweede Wereldoorlog was er een algeheel gevoel van verbondenheid met het lot van iedereen en kwam er vernieuwing in de instituten. Rond 1950 kwam er steeds meer interesse vanuit de wetenschap voor het gehandicapte kind. Men ontdekte dat gedragsstoornissen pedagogisch te veranderen waren en er kwam meer belangstelling voor de individuele patiënt. In plaats van heel grote groepen werden patiënten in kleinere groepen opgevangen. En er was meer respect voor de eigen inbreng van de patiënt.

Andere activiteitenIn veel instituten werden er ook andere activiteiten toegepast dan alleen de (noodzakelijke) arbeidsmatige. Steeds meer zag men het belang van zelfontplooiing en expressie. Ook werd sport en spel in een ander licht gezien; sport leidt tot ontspanning en toont de mens zoals hij is, het is een manier van 'in de wereld staan'. Uit deze gedachte ontstond bewegingstherapie.

ExpressieDans, toneel en muziek bieden ook mogelijkheden tot expressie en hieruit ontstond culturele therapie. Creatieve vaardigheden zoals werken met papier, verf, klei, hout, metaal en leer werd gezien als vormen van vrije expressie. Hiervoor waren specifieke kennis en vaardigheden nodig. Uit deze kennis ontstond creatieve therapie, een vorm van therapie waarin men de patiënt leert kennen in de manier waarop hij het gereedschap hanteert en in de werkstukken die hij produceert.

ArbeidstherapieOok arbeidstherapie was in opkomst. Er werd in sociale werkplaatsen eenvoudig werk als wasknijpers maken en fietswielen monteren gedaan. Ook was er seizoensarbeid op boerderijen en in de land- en tuinbouw. Later kwamen er ook arbeidsplaatsen op fabrieken. Werkgevers betaalden deze werknemers weinig en beschouwden ze ook niet als volwaardig medewerker. Het tempo en de prestaties van de werknemer lag een stuk lager dan dat van de andere werknemers.

In de jaren zeventig vond men dat arbeidstherapie nog steeds onderdeel uitmaakte van de traditionele instellingspsychiatrie. Veel ex-patiënten klaagden over het geestdodende werk dat ze in de inrichtingen moesten doen en men vond dat er sindsdien weinig verbeterd was. In deze tijd komt er steeds meer geld voor psychologen, maatschappelijk werkers, creatieve therapeuten en bewegingstherapeuten. Hierdoor kwam er meer variatie in het aanbod van therapieën.

WelfareEr kwam verandering in de arbeidstherapie, er was meer aandacht voor observatie, er ontstond groepsmatige arbeidstherapie en er veranderde veel in de werkwijze van arbeidstherapeuten door scholing en status. Hierdoor kregen zij meer gemeen met creatieve therapeuten en bewegingstherapeuten. De huidige activiteitenbegeleiding ontstond vanuit welfare. Toen Nederland in 1944 werd bevrijd door de geallieerden, kwam men in aanraking met ´welfare-officers´, dit waren officieren die waren opgeleid om gewonde militairen te helpen zich te ontwikkelen en te ontspannen. Er was namelijk ontdekt dat het bezig houden van gewonden genezingsbevorderend zou werken.Het Rode Kruis heeft het bezighouden ter afleiding overgenomen en dit werd toen een van hun vredestaken.

OpleidingenHet Rode Kruis en de Zonnebloem gingen vanaf 1951 mensen opleiden voor welfarewerk. Vrijwilligers kregen hier cursussen van tien avonden voor en kregen instructies voor handenarbeid, pathologie, lessen over ziektebeelden en psychologie.
Zo konden vrijwilligers patiënten op een verantwoorde manier afleiding in de vorm van handenarbeid bieden. Daarnaast zag men ook het belang van beroepskrachten die vrijwilligers konden begeleiden en die professioneler werkten. Dit werden de bezigheidstherapeuten, die in ziekenhuizen gingen werken.

In 1963 werd de opleiding welfarewerker door het Ministerie van Onderwijs erkend en in 1967 werd hier subsidie voor gegeven en werd het een middelbare beroepsopleiding. De naam van welfarewerker werd veranderd in de naam bezigheidstherapeut. Doordat er steeds meer verpleeghuizen kwamen, kwam er meer werk voor afgestudeerde bezigheidstherapeuten. Daarnaast groeide ook het aantal ziekenhuisbedden en werd er meer geld beschikbaar gesteld voor zinvolle tijdsbesteding voor patiënten. Er werd steeds meer een agogisch doel aan gekoppeld, want er werd naar gestreefd ´de mens te laten ontdekken wat zijn mogelijkheden zijn, om zijn leven optimaal te kunnen leven en zo zinvol mogelijk in te vullen´. Het ging nu niet meer om het afleiden van de problemen, maar om het begeleiden van de problemen door middel van bezig zijn. Er werd in de opleiding ook meer nadruk gelegd op de ontwikkeling van de creativiteit, omgaan met jezelf en anderen.

Therapie?Het woord ´therapie´werd in de jaren 70 nader bekeken. Men ging zich afvragen wat therapie was en op welk niveau een therapeut hoorde te zitten. Men vond dat therapie, begeleiding en verzorging uiteindelijk drie verschillende begrippen waren binnen de hulpverlening. Daarom werd er in 1979 besloten de opleiding bezigheidstherapie te vervangen door activiteitenbegeleiding. Het doel van deze opleiding was mensen die door bijzondere omstandigheden noodzakelijk opgenomen werden in een instelling, te begeleiden met behulp van activiteiten. Belangrijk doel werd het helpen bevorderen van het welzijn van de mensen en dat de hulpvrager zich waardevol voelt met behoud van de eigen normen en waarden. Het ging niet alleen om het aanbieden van creatieve activiteiten, maar ook om productieve, recreatieve en educatieve activiteiten.

Activiteitenbegeleiding tegenwoordigTegenwoordig zijn er vele mogelijkheden binnen de activiteitenbegeleiding, bijvoorbeeld dagcentra, waar een combinatie van activiteiten en ontspanning geboden wordt. Waar de nadruk op wordt gelegd (bijvoorbeeld creatieve activiteiten of verzorging en ontspanning) hangt af van de groep en de mate van de beperking. Ook een zorgboerderij is een mogelijkheid binnen activiteitenbegeleiding. Dit is een boerderij waar mensen die zorg nodig hebben kunnen wonen en-of werken. Zij kunnen daar bijvoorbeeld dieren verzorgen, of in de tuin werken.

Verder zijn er mogelijkheden voor activiteitenbegeleiding in werkcentra, waar mensen met een verstandelijke beperking een zo normaal mogelijke werkplek geboden wordt. Er kunnen bijvoorbeeld montagewerkzaamheden worden verricht, producten worden verpakt. Soms kunnen cliënten aan de slag in reguliere banen (al dan niet betaald). Er wordt dan met behulp van arbeidsintegratie gezocht naar een geschikte werkplek en de cliënt wordt hierin ook begeleid.

Ook kunnen mensen dagbesteding vinden in de vorm van werkprojecten, bijvoorbeeld kaarsen- en zeepmakerijen, pottenbakkerijen, schildersateliers of de horeca. Ondanks dat werken in een regulier bedrijf niet voor iedereen is weggelegd, wordt er toch voor iedereen de mogelijkheid geboden een arbeidsprestatie te verrichten.

Bronnen en referenties

  • De activiteitenbegeleider-Handelen en hulpverlenen

Comment Stream