De Hobbit

In een hol onder de grond woonde een hobbit. Geen naar nat hol, vol endjes wormen en een bedompte geur, maar ook geen droog, kaal, zanderig hol met niets erin om op te zitten of te eten: het was een hobbithol en dat betekent gerief.

Het had een volmaakt ronde deur als een patrijspoort, groen geschilderd en met een blinkende geelkoperen knop precies in het midden. De deur kwam uit op een buisvormige hal, als een tunnel: een bijzonder gerieflijke tunnel zonder rook, met gelambriseerde muren en betegelde en met tapijĀ­ten bedekte vloeren, voorzien van geboende stoelen en een heleboel knoppen om hoeden en jassen aan op te hangen - de hobbit was dol op visite. De tunnel liep kronkelend verder en verder en ging een heel eind, maar niet bepaald recht, de flank van de heuvel in - De Heuvel, zoals iedereen mijlen in de omtrek hem noemde - en er kwamen vele kleine deuren op uit, eerst aan de ene kant, dan aan de andere. Trappen lopen was er voor de hobbit niet hij: slaapkamers, badkamers, kelders, provisiekamers (een heleboel), klerenkasten (hij had hele kamers alleen voor kleren), keukens, eetkamers, alle lagen op dezelfde verdieping en zoals gezegd, aan dezelfde gang. De beste kamers lagen allemaal aan de linkerkant (als je binnenkwam), want dit waren de enige die ramen hadden: diepliggende ronde ramen die op zijn tuin uitkeken en de weiden daarachter, die schuin naar de rivier afliepen.

Comment Stream